Historiek

Een stukje geschiedenis.

Een van de eerste documenten in verband met de organisatie van de brandbestrijding te Tienen is een verordening van de stadsmagistratuur uit 1656. Deze besliste toen dat er op verscheidene plaatsen in de stad brandladders dienden te worden aangebracht. Bij deze ladders brandde elke nacht een lantaarn, om bij onheil de ladders snel te kunnen terug vinden, terwijl de rest van de straten in duisternis waren gehuld. Een besluit uit 1688 verplichtte de inwoners om aan hun huizen een waterkuip te plaatsen, inwijkelingen werden verplicht om zich twee brandemmers aan te schaffen. Het oprichten van woningen voorzien van een dak uit stro werd verboden bij dekreet in 1705 .

Uit gemeentelijke verordeningen en rekeningen blijkt dat het Tiense brandweerkorps einde 18de eeuw uitsluitend bestond uit vrijwilligers (uitdovers): brouwers - dakwerkers - timmerlieden welke onder leiding van paters en broeders van het Minderbroederklooster zich ter plaatse spoedden met lederen brandemmers, ladders, haken en bijlen. Deze brandbestrijders van het eerste uur werden door de bevolking geholpen en bedienden de (hand-)pompen. Ze gebruikten lederen slangen en waren georganiseerd in groepen per pomp, met een verantwoordelijke en een hulpverantwoordelijke.

Een brandwacht was ingesteld op de Sint Germanustoren. Bij brand blies deze wachter op zijn hoorn, luidde de brandklok en wees met een brandende lantaarn in de richting van het onheil. De nachtwaker moest zich vanaf valavond in de toren bevinden en met klokgelui zijn aanwezigheid aankondigen. Dit gebruik werd in Tienen in stand gehouden tot 1910.

In 1889 werd een reorganisatie doorgevoerd.

In die zin dat het vrijwilligersschap afgeschaft werd en de verantwoordelijkheid voor het bestrijden van branden aan de Tiense politiedienst werd toevertrouwd. De leiding van het "nieuwe" korps werd waargenomen door politiecommissaris Franssen Antoine.

Op dat ogenblik werd het materieel enigszins gemoderniseerd door het invoeren van persslangen uit natuurlijke vezels (vlas). Ook meerdere bluspompen werden aangekocht. Het materieel werd ondergebracht in het politiecommissariaat "het Toreke".

toreke

Een grote vooruitgang was de aanleg, in 1894, van een waterleidingsnet, waarop brandkranen werden geplaatst. Dit maakte het mogelijk om met de persslangen rechtstreeks op deze brandkranen aan te sluiten voor het blussen van de branden.

In 1909 verkreeg de brandweer een hand-luchtladder op onderstel, dewelke een hoogte van 17m kon bereiken. Deze ladder is tegenwoordig nog te bezichtigen onder de perrestiel van het stedelijk museum.

Nadeel van deze ladder was dat de brandweermannen ze zelf moesten voortrekken wat, gezien het heuvelachtig karakter van onze streek, soms tot forse inspanningen geleid zal hebben. Enkele jaren later werd het korps, door toedoen van commandant Franssen, uitgerust met een motorpomp Ehart-Sehmer met een debietvermogen van 60m³/u.

Vroeg in de jaren dertig ging het stadsbestuur over tot de aanschaf van een autopomp. In 1938 had de brandweer beschikking over: 1 autopomp, 1 motorpomp, 1 auto, 3 ladders, waaronder de houten ladder op onderstel, allerlei klein materieel, o. a. rookmaskers.

oude kazerne

Vlak voor de oorlog 1940-1945 besloot het gemeentebestuur, onder druk van de hogere overheid, tot de herinrichting van het korps waardoor de aanzet tot een gewestelijk brandweerkorps, zij het op vrijwillige basis en mits vergoeding per prestatie, werkelijkheid werd. Tijdens de oorlog werd het brandweerkorps meer en meer zelfstandig. Een beroepskern, onder leiding van commandant Heuninck, werd gevormd.

Deze kern aangevuld met een groot aantal vrijwillige brandweerlui stonden tijdens deze trieste periode in voor de brandbestrijding en de reddingen. Kort na de oorlog bleef van de groep vrijwilligers, zij waren vrijwilligers om aan deportatie tijdens de oorlog te ontsnappen, geen enkele meer over, en moest de brandweer met het kleine aantal beroeps dat restte instaan voor een gebied dat 40, toentertijd vooral kleine, gemeenten omvatte.

Ondertussen stond het materieel nog steeds in het politiecommissariaat het huidige museum "Het Toreke". De oproepen kwamen binnen bij de politie die dan de sirene op de O.-L .-Vrouw ten Poel- toren in werking zette. Commandant Louis Rock had toen de leiding over het korps. In 1958 kocht het gemeentebestuur het gebouwencomplex van de ABR (Gilain) met de bedoeling er onder andere ook de brandweer onder te brengen. In 1960 kon dan eindelijk de verhuis naar de Ooievaarstraat gebeuren. Hierdoor vond de brandweer voor het eerst in haar geschiedenis in een eigen gebouw onderdak, en dit als een zelfstandige dienst. Een paar jaar later was er sprake van het bouwen van een oefentoren die tevens als droogtoren voor de persslangen kon gebruikt worden. Verder dan plannen is deze toren echter nooit gekomen.

Wat er tijdens de jaren zestig wel verbeterde was de algemene organisatie en het brandweermateriaal. Zo bestond dat laatste begin 70er jaren uit: 2 autopompen, 1 automatische luchtladder van 30m, 1 materieelwagen, 2 ziekenwagens.Tijdens de periode 1970-1980 werd het wagenpark nog met 4 voertuigen uitgebreid en werden meer brandweermannen aangeworven, om het effectief op een aanvaardbaarder peil te brengen. De leiding van het korps ruste sinds 1974 bij luitenant Albert Vangilbergen. Het was pas na 1980, onder het bevel van commandant Leon Beckers, dat er weer vrijwillige brandweerlui in het korps verschenen, zodat men vanaf dan over een volwaardig brandweerkorps kon praten.

In 1985 gebeurde dan de tweede verhuis in 30 jaar tijd. Net buiten de stadskern verrees een nieuwe kazerne, die zowel het materieel als het personeel op een comfortabeler wijze zou herbergen.

kazerne000

   
© Brandweer Tienen. Alle rechten voorbehouden.